Koolhydraten en gezondheid

In de Richtlijnen goede voeding van 2015 spreekt de Nederlandse Gezondheidsraad zich uit over de rol van koolhydraten in onze voeding. Sindsdien is er veel aanvullend onderzoek uitgevoerd naar de relatie tussen koolhydraten en gezondheid. Voor voedingsprofessionals is het daarom nuttig om ook kennis te nemen van recentere adviezen van andere wetenschappelijke instituten. Zo bracht de Europese wetenschappelijke autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) in 2010 een advies uit over de aanbevolen hoeveelheden voor koolhydraten. En in januari 2012 kwam de Deutsche Gesellschaft für Ernährung (DGE, Duitse Gezondheidsraad) met een evidence-based richtlijn over koolhydraatinname en de preventie van ziekten, gebaseerd op 248 cohort- en interventiestudies en meta-analyses.
In dit gedeelte komen de verteerbare koolhydraten aan bod. Voor de gezondheidseffecten van onverteerbare koolhydraten (voedingsvezels) klik hier.

Totale koolhydraatinname

De aanbevolen hoeveelheid verteerbare koolhydraten omvat meestal een brede marge. De Gezondheidsraad stelt 40-70 energie% als voedingsnorm en de EFSA 45-60 energie%. Hoeveel energie% van de voeding precies door koolhydraten wordt geleverd, lijkt niet uit te maken voor het risico op welvaartsziekten. Dit concludeert DGE.

Soorten koolhydraten

Koolhydraten is de verzamelnaam voor vele voedingsstoffen, opgebouwd uit 1 of meer suikermoleculen (sachariden): monosachariden, disachariden, oligosachariden en polysachariden. Een andere indeling is die tussen verteerbare en niet-verteerbare koolhydraten. De niet-verteerbare koolhydraten zijn voedingsvezels, de rest is wel verteerbaar. Mono- en disachariden worden ook wel suikers genoemd

Koolhydraten en overgewicht

Volgens de Gezondheidsraad heeft het koolhydraatgehalte van de voeding geen invloed op het lichaamsgewicht zolang de energie-inname overeenkomt met de energiebehoefte. De Gezondheidsraad adviseert bij overgewicht of ongewenste gewichtstoename een lager aandeel van vet in de voeding: maximaal 30 à 35 energie% in plaats van 40 energie% bij een wenselijk lichaamsgewicht. Een lager vetaandeel kan worden gecompenseerd door een hoger aandeel van koolhydraten of eiwitten in de voeding, aldus de Gezondheidsraad. Bij een positieve energiebalans adviseert de Gezondheidsraad wel om de consumptie van suikerbevattende dranken te beperken. Dit omdat suikers in dranken waarschijnlijk minder verzadigend werken. Volgens de EFSA zijn koolhydraatarme diëten met een hoog vetgehalte ongunstig voor gewichtscontrole. Daarom stelt de EFSA de ondergrens van 45 energie% koolhydraten in de voeding. Volgens de DGE is er waarschijnlijk geen verband tussen de inname van koolhydraten en overgewicht. Een toename van het aandeel van koolhydraten in de voeding laat volgens deze organisatie op lange termijn geen effecten zien op het ontstaan van overgewicht. Wel lijkt het erop dat een hoge consumptie van met suiker gezoete dranken het risico op obesitas verhoogt.

Koolhydraten en diabetes

Volgens de Gezondheidsraad is een hoge inname van koolhydraten mogelijk gunstig voor de glucosetolerantie en insulinegevoeligheid. Een gunstig effect van koolhydraten op het diabetesrisico is echter niet overtuigend aangetoond. De EFSA stelt dat de invloed van koolhydraten op glucosetolerantie en insulinegevoeligheid nog onduidelijk is. Een voeding met 46-55 energie% koolhydraten gaat waarschijnlijk gepaard met behoud van normale glucosetolerantie en insulinegevoeligheid bij gezonde mensen en bij mensen met het metabool syndroom. EFSA stelt dat een voeding met ongeveer 55 energie% koolhydraten de kans op diabetes type 2 verlaagt in combinatie met gewichtsverlies en beweging. Volgens de DGE werkt het verhogen van het koolhydratenaandeel in de voeding niet preventief tegen diabetes type 2. Het is volgens deze autoriteit overtuigend bewezen dat er géén relatie is tussen de totale koolhydraatinname en het risico op diabetes type 2.

Koolhydraten en hart- en vaatziekten

Volgens de Gezondheidsraad zijn er geen overtuigende aanwijzingen dat de inname van specifieke typen koolhydraten in verband staat met het risico op coronaire hartziekten. In het kader van de preventie van coronaire hartziekten is er daarom onvoldoende onderbouwing voor een maximale hoeveelheid mono- en disachariden in de voeding. Ook de EFSA stelt dat er geen consistente relatie is. De nadelige effecten van een hoge koolhydraatinname op het lipidenprofiel zijn voor EFSA wel de reden voor de bovengrens van 60 energie% koolhydraten in de voeding. Van het vervangen van vet door koolhydraten is overtuigend bewijs voor effecten op het serumlipidenprofiel, zo stelt de DGE. De ratio totaal cholesterol/HDL-cholesterol blijft ongewijzigd als koolhydraten verzadigde vetzuren vervangen. Maar als koolhydraten enkelvoudig- of meervoudig onverzadigde vetzuren vervangen, stijgt deze ratio. Ook stijgt het triglyceridengehalte, ongeacht welk type vet wordt vervangen door koolhydraten. Op basis van onderzoeken naar het verband tussen de koolhydraatinname en het risico op coronaire hartziekten, concludeert de DGE echter dat er waarschijnlijk géén verband is tussen een hogere koolhydraatinname en het ontstaan van coronaire hartziekten.

Koolhydraten en kanker

Volgens de Gezondheidsraad is het niet aannemelijk dat de inname van verteerbare koolhydraten invloed heeft op het risico op kanker. EFSA gaat niet in op de relatie tussen de totale koolhydraatinname en het risico van kanker. Wat het risico van kanker betreft wijzen de beschikbare gegevens erop dat de totale koolhydraatinname niet van invloed is, zo stelt de DGE. Dit geldt voorlopig ook voor dikke darmkanker, hoewel 2 recente studies laten zien dat een hoge koolhydraatinname gepaard gaat met een kleinere kans op dikke darmkanker. Tenslotte concludeert de DGE dat een hoge inname van monosachariden mogelijk het risico op pancreaskanker verhoogt.